donderdag 14 oktober 2010

Erfgoedorganisaties publiceren opinie over de interne staatshervorming

Zorgen voor het cultureel erfgoed: de interne staatshervorming leidt tot het omgekeerd effect

Net als op federaal niveau, maar dan ver van de camera’s en de politieke commentatoren, bereidt men ook op Vlaams niveau een staatshervorming voor, maar dan wel een interne. Ook hier zijn efficiëntie en responsabilisering de klaarblijkelijk door de economische wereld geïnspireerde ordewoorden. Jammer genoeg zijn strakke principes en economische wetmatigheden niet zomaar overzetbaar op de complexe culturele erfgoedmateries en -gemeenschappen. Cultureel erfgoed vraagt dan ook om een aanpak in verscheidenheid, maar binnen een maatschappelijk gedragen en evenwichtig gestructureerd kader. Op het eerste zicht zeer evidente principes blijken op het terrein moeilijk of haast niet toepasbaar. Onze bekommernis is dat de aangekondigde Vlaamse interne staatshervorming leidt naar een kaalslag en een serieuze aderlating voor het prille cultureel erfgoedbeleid in Vlaanderen.

Waar gaat het om? De Vlaamse minister voor Bestuurszaken en Binnenlands Bestuur vindt de verschillende overheden (Vlaamse, provinciale en gemeentelijke) weinig efficiënt werken. Hij mist een coherent beleid, stelt vast dat teveel overheden met hetzelfde bezig zijn en dat ze elkaar hinderen met paternalistische en overbodige ambtelijke verplichtingen.

Een eerste fundamentele bedenking betreft dus het principe van efficiënte overheden. Men koestert de illusie dat er momenteel nauwelijks interactie of integratie bestaat tussen de verschillende ‘verkokerde’ bevoegdheden. Daarnaast wil de Vlaamse overheid voorgoed en altijd afrekenen met de voor velen blijkbaar loodzware planlast waarvan de zin in vraag wordt gesteld. Deze plannen moeten worden afgeschaft en geïntegreerd in de, in het nieuwe gemeentedecreet voorziene legislatuurplannen, die aan het begin van elke beleidstermijn aan de gemeenteraden ter goedkeuring worden gepresenteerd. Klinkt perfect plausibel, ware het niet dat – behoudens een aantal uitzonderingen – deze legislatuurplannen vrij licht wegen. Deze legislatuurplannen zijn de producten van een topdown aanpak … mijlenver verwijderd van de communicatieve bottom up werkwijze, zo eigen aan de huidige cultuurplannen en erfgoedconvenants. Daarin staan een door de lokale sector gedragen visie (dus bottom up), beleidsprioriteiten en actiepunten voor de middellange of lange termijn centraal. In ruil voor deze plannen verstrekt de Vlaamse overheid geoormerkte subsidies, geld dus dat niet voor andere doeleinden mag worden gebruikt. Samen met eigen middelen van de gemeente zorgt dit voor de financiering van de sectoren cultuur en erfgoed. De middelen van de Vlaamse overheid mogen enkel voor de beoogde sectoren worden ingezet. De voorbije jaren bewezen de cultuur- en erfgoedsector in de meerderheid van de Vlaamse gemeenten dat ze perfect in staat waren met deze middelen een doelmatig en sterk beleid te voeren. Het Vlaamse beleidskader bood hierbij veeleer een hefboom dan een vervelende voogdij.

Het is meer dan voorspelbaar dat gemeenten zonder geoormerkte Vlaamse subsidies, de kosten voor het huidige cultureel- en erfgoedbeleid niet zelf zullen dragen. Dit gevaar lijkt even reëel als men deze subsidie niet meer oormerkt en gewoon in de globale pot van het Gemeentefonds opneemt. Binnen dat Gemeentefonds zijn de middelen immers vogelvrij. De kans dat ze een veldslag met thema’s zoals openbare werken, onderwijs, kinderopvang,... overleven, lijkt bijzonder klein. Het jonge erfgoedbeleid lijkt dan een vogel voor de kat, zelfs al wordt het volledig opgenomen in de al kwetsbare aandacht voor cultuur, want ook daarbinnen is het dikwijls het kleine broertje. Daarenboven bevat het Vlaamse groenboek de suggestie van een financiële responsabilisering van de lokale besturen. Welke politici zullen de moed opbrengen om de opcentiemen te verhogen om een cultureel erfgoedbeleid op te zetten of te kunnen handhaven?

Met de huidige plannen voor een interne staatshervorming verwijzen de Vlaamse beleidsmakers al hun ooit zo mooie principes naar de prullenmand: geen nood aan participatief beleid, geen waarborgen op een planmatige en transparante aanpak van gevoelige sectoren. Het is eveneens schrijnend dat de Vlaamse overheid bij deze shift in beleid vergeet om het zo hooggeachte middenveld daadwerkelijk te betrekken. Zijn ze het convenant met de Verenigde Verenigingen vergeten?

De huidige cultuur en erfgoedplannen garanderen tegelijkertijd een transparante financiering met geoormerkt geld, een open communicatieve beleidsvoering en de noodzakelijke publieke en politieke aandacht.

Daardoor konden deze sectoren, bij uitstek gedragen door vrijwilligers, zich het voorbije decennium handhaven of uit een relatieve obscuriteit losmaken, verwierven ze structurele en goed georganiseerde ondersteuning, verkregen ze maatschappelijk respect.
Binnen de sector cultureel erfgoed gaven de vrij recent geïntroduceerde erfgoedconvenants volop kansen om een soortgelijke dynamiek te verwerven. Met het nieuwe overkoepelende cultureel erfgoeddecreet en het realiseren van één breed integraal en geïntegreerd cultureel erfgoedveld loopt Vlaanderen internationaal voorop. Instrumenten als de erfgoedcellen en de cultureel erfgoedconvenants zijn internationaal vooruitstrevend. In die mate zelfs dat men vanuit het buitenland geïnteresseerd is in het ‘Vlaamse model’. Erfgoedcellen verzorgden een professionele omkadering en kwaliteitsvolle, eigentijdse acties voor een (her)nieuw(d) publiek. De vele foto- en verhalendatabanken, een groeiend aantal samenwerkingsverbanden van lokale archieven, musea enerfgoedbibliotheken, ook de jaarlijkse Erfgoeddag en de ondersteuning van het verenigingsleven op dat gebied getuigen daar levendig van. Volgens de huidige plannen wordt de steun aan de erfgoedconvenants beperkt tot een experimentele impuls voor twee bestuursperiodes. Dit betekent wellicht de teloorgang van de vernieuwde dynamiek en moeizaam opgebouwde professionaliteit. Hiermee dreigt de coherente samenhang van erfgoedbeleidsvormen doorheen de Vlaamse gemeenten te verdwijnen, terwijl deze eigenlijk nog maar pas hun grote kracht konden bewijzen door het samen en gedeeld opbouwen van expertise en ondersteuningsmodellen over, door en voor de lokale werkingen. Vreemd dat het groenboek het geloof in de werking van het instrument convenant onderschrijft door het in te voeren voor het onroerende erfgoed, maar het tegelijkertijd afbouwt voor het immaterieel en roerend erfgoed.
Het groenboek bedreigt rechtstreeks en fundamenteel wat er de voorbije jaren lokaal werd opgebouwd. Daarbij profileerde het rijke en sterke verenigingsleven zich als een cruciale bondgenoot. Ook erfgoedverenigingen vormen de voorhoede op weg naar meer sociale cohesie. Het zijn pijlers van een ‘warme samenleving’ zoals het in de ondertitel van het lopende Vlaams regeerakkoord luidt. Tegelijkertijd nemen ze, ook op het platteland, een voortrekkersrol voor de toeristische uitstraling en dito economie.

Een soortgelijke verbazing en ook wel verontwaardiging overvallen ons bij de keuze om de provinciale bevoegdheden te beperken tot gewestelijke materies. Daarmee zouden de provinciale initiatieven voor o.a. cultuur en dus ook cultureel erfgoed verschuiven naar de lokale besturen en de Vlaamse overheid. Argument: een efficiëntere overheid. Nochtans zijn de spelers op het terrein van het cultureel erfgoed best tevreden met de bevoegdheidsafbakening in het cultureel erfgoeddecreet van 2008. Dubbele verantwoordelijkheden worden vermeden en expertises gehonoreerd. Wie draagt straks de kosten van de o zo noodzakelijke provinciale museumconsulenten, die overal te lande expertise en deskundigheid brengen in onderbemande musea? Zullen de steden of de Vlaamse overheid bereid zijn de kosten van de regionale musea, of de musea waar de provincies inrichtende macht zijn, over te nemen? Bij het Modemuseum in Antwerpen kunnen we ons daarbij iets voorstellen . Maar wat met het Fotomuseum? En wie neemt het Openluchtmuseum Bokrijk over? Helemaal zorgwekkend wordt het als, bij hoge uitzondering, de provincies in het groenboek toch nog het depotbeleid krijgen toegewezen. Alsof een degelijk depotbeleid los staat van inventariseren, registreren en andere erfgoedpraktijken. Waarschijnlijk beseft de Vlaamse overheid nu reeds de hoge kostprijs van een volwaardig depotbeleid.

De interne Vlaamse staatshervorming vertrekt ongetwijfeld van eerbare principes en eenduidige bestuurlijke modellen. Maar tussen droom en werkelijkheid … . Bovendien biedt de huidige decretale realiteit voor de culturele erfgoedsector een evenwichtig en transparant ontwikkelingskader. De culturele erfgoedsector wil best nog wel eens, een tweede keer in evenveel legislatuurperiodes, haar hele beleidskader heroverwegen. Maar deze goodwill verdwijnt als zo’n aanpak onvermijdelijk een verschraalde sector veroorzaakt. Wij verwachten het tegendeel: een beleidskader dat nieuwe, extra kansen en middelen biedt.



Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG),
Centrum voor Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa)
De erfgoedcellen (met uitzondering van Antwerpen, Noorderkempen, STAM, TERF, Tongeren en Waasland),
Familiekunde Vlaanderen,
Het Firmament,
Forum voor erfgoedverenigingen,
Heemkunde Vlaanderen,
Platform voor de Archivering en Conservering van Audiovisuele Kunsten (Packed),
Resonant,
Sportimonium,
Tapis plein,
Vlaamse Kunstcollectie,
Vlaamse Museumvereniging (VMV),
Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief en Documentatie (VVBAD),
Zilvermuseum Sterckshof