dinsdag 31 januari 2012

Reactie van het Cultureel-Erfgoedoverleg op het ontwerp van het nieuwe Cultureel-erfgoeddecreet

Het Cultureel-Erfgoedoverleg bestudeerde het voorontwerp van decreet over het Vlaams cultureel-erfgoedbeleid en formuleert volgende bedenkingen:

1. Algemene bedenkingen
  • Er is geen belangenbehartiger voorzien voor de erfgoedsector;
  • De programmatorische vrijheid voor conservatoren en archivarissen uit het huidige decreet is verdwenen (huidige decreet, art. 19, §2, 5°);
  • Er zijn vragen met betrekking tot de overgangsmaatregelen. Zijn die voldoende soepel, onder meer met betrekking tot reeds gevormde reserves;
  • De indieningsronde van expertisecentra/volkscultuur gebeurt niet meer jaarlijks, dit wordt teruggebracht naar twee instapmogelijkheden binnen de beleidsperiode van vijf jaar. Behoudt het decreet hiermee voldoende flexibiliteit om met het instrument van expertisecentra snel in te kunnen spelen op tijdelijke noden?
  • De 1 euro-regel is uit het decreet gehaald.

2. Hoofdstuk 7. Subsidies voor een lokaal en regionaal cultureel-erfgoedbeleid

De oplossing voor de erfgoedconvenanten is goed. Er is gekozen voor een intergemeentelijke benadering (met een uitzondering voor Antwerpen, Gent, Brugge, Mechelen en Leuven), wat overeenkomt met de vraag van de sector.

De werking van de Erfgoedconvenants wordt zeer lokaal ingevuld. Dit is voor een aantal aspecten niet zinvol. Zo wordt verwacht dat er op lokaal niveau modellen voor geĆÆntegreerde cultureel-erfgoedpraktijk worden ontwikkeld. Dit zou beter op Vlaams niveau ontwikkeld worden. Maar voor de erfgoedconvenants is niets voorzien rond expertisedeling op een bovenlokaal niveau.

3. Art. 40: Reserves en overdracht werkingssubsidies
De regels voor het aanleggen van reserves en de overdracht van werkingssubsidies op het einde van de beleidsperiode zijn verstrengd.

Nu mag de aangroei niet meer bedragen dan twintig percent van de gemiddelde jaarlijkse personeels- en werkingskosten, berekend over de beleidsperiode.
In het nieuwe decreet wordt dat maximaal 20% van de toegekende jaarlijkse werkingssubsidie en de totale gecumuleerde reserve op basis van werkingssubsidies mag maximaal 50% van de jaarlijkse werkingssubsidie bedragen.

Hier ligt zeker een probleem voor organisaties die een gedeelte van hun middelen uit andere bronnen halen dan werkingssubsidies van de Vlaamse overheid. Het kan niet zijn dat organisaties aangemoedigd worden om eigen, aanvullende inkomsten te verwerven, maar dat zij aan de andere kant door een strenge regeling rond reservevorming daartoe juist ontmoedigd worden.

4. Memorie, zie toelichting bij Afdeling 3. Digitalisering
Niet letterlijk opgenomen in het decreet, maar wel een aandachtspunt: Voor de subsidiƫring van digitalisering zijn organisaties in de praktijk verplicht deel te nemen aan Europeana. Er is echter discussie binnen de erfgoedsector over de open-data-politiek van Europeana.

5. Memorie par. 4. Afstemming onroerend-erfgoeddecreet
De paragrafen over de afstemming tussen cultureel-erfgoeddecreet en onroerend-erfgoeddecreet laten nog te veel onduidelijk over het statuut en de bevoegdheden aangaande de archeologische en museumdepots. Deze onduidelijkheden kaderen in de problematiek van de interne staatshervorming.
Wat betreft de rol van de provincies zijn de bevoegdheden duidelijker omschreven. De grote lijnen van de regeling worden als positief ervaren.

6. Memorie par. 3. Laatste alinea. Duurzaamheid en maatschappelijke en culturele diversiteit
 Het begrip diversiteit wordt expliciet aangevuld met het begrip duurzaamheid en verbreed naar culturele en maatschappelijke diversiteit. Dat is positief.